HOEZO…..ad elli els klaas marten

Datum - 09/12/2018 - 06/01/2019

Groepsexpositie van Ad Gerritsen, Elli Slegten, Els van ’t Klooster, Klaas Gubbels en Marten Hendriks;

De Gelderlander over deze expositie
Opening: 9 december 2018 van 15-17 uur door Ype Koopmans, kunsthistoricus, artistiek directeur van het Museum MORE in Gorssel.
Foto’s opening

We cannot display this gallery” order_by=”sortorder” order_direction=”ASC” returns=”included” maximum_entity_count=”500″]

Speech uitgesproken door Ype Koopmans bij de opening van de expositie

HOEZO…..

In de kern van de zaak bestaan er bij openingen twee soorten sprekers. De eerste zijn sprekers die het werk beter kennen dan de persoon van de kunstenaar. En het lijkt soms wel, beter dan de kunstenaar zelf. De tweede is de vriend van, of in elk geval goede kennis van. En dat zorgt soms voor mooie en intieme verhalen. Onwillekeurig denk je daar dan wel bij: zou hij of zij hier ook hebben gestaan wanneer ze niet bevriend waren. Dat weet je niet. Je maakt gelukkig vrijwel nooit mee dat een spreker de kunstenaar niet kent en ook zijn, haar of hun werk niet.

Ik ben vandaag een beetje een mengfiguur.

Ad Gerritsen had een hekel aan openingen. Citaat: “Je maakt de dingen. Maar op het moment dat het er hangt, dan trek ik mezelf maar het liefste terug. Bij een opening word je immers hélemaal uit je eigen situatie gehaald? Nee, dat liever niet.”

Iedereen zal zich er van bewust zijn dat Ad er vandaag niet meer bij is. Hoezeer hij gemist wordt, bleek vorige week vrijdag bij de opening van zijn mooie tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum.

Ik weet niet hoe het de andere exposanten vergaat, maar zelf ben ik ook niet dol op openingen. Tenminste wanneer ik het woord moet voeren. En de kunstenaar er bij leven en welzijn zelf bij staat.        Nee, dan zou ik ze het liefst zelf over hun werk horen praten.

Waarom nú dan tóch!

Toen Klaas Gubbels mij een paar maanden geleden benaderde voor de opening van de tentoonstelling en namen noemde dacht ik: ja dat is wel logisch.

Eerlijk gezegd was ik me op dat moment niet erg bewust van het werk van de jongste exposant Els van ’t Klooster, maar dat ligt hem aan mij. Mensen die mij kennen weten dat ik – toen ik nog bij het Arnhems Museum werkte – me bezighield met kunst uit de eerste helft van de vorige eeuw. En daarnaast hoofdzakelijk met oudere jongeren.

Sinds kort is in mijn woonplaats Eefde Galerie Stijl gevestigd. Een van oorsprong Arnhemse kunsthandel die zich net zoals Van ’t Klooster richt op abstract werk, met een geometrische inslag. Bij de opening eind september zag ik daar voor het eerst bewust werk van haar. En dat is dan zo’n beetje wat ik van haar weet. En dat deze tentoonstelling met haar is begonnen. Omdat zij op verzoek van Galerie O-68 Klaas Gubbels heeft benaderd, die ze als een soort leermeester beschouwt en die ze ook weleens helpt bij het maken van drukken.

Wat aan deze tentoonstelling als eerste opvalt is de titel: Hoezo….    Een woord met een ingebakken vraagteken. Bedacht door Marten Hendriks. Maar hij heeft gelijk. En ook niet, maar daar kom ik nog op. Want wat – als ik nu Van ’t Klooster met grote, welgemeende excuses oversla – hebben haar meer dan veertig jaar oudere collega’s Ad Gerritsen, Klaas Gubbels, Elli Slegten en Marten Hendriks nu helemaal met elkaar te maken!

Deze kunstenaars zijn nog nooit met elkaar in verband gebracht als groep, onder andere omdat ze nooit een groep geweest zijn. Ze zijn ieder anders wat betreft stijl, techniek en geestesgesteldheid. Als ze één karakteristiek gemeen hebben, lijkt het zelfs een aangeboren en sterk gevoelde individualistische benadering van hun kunst te zijn. Maar hoe vaag, onhandig en zelfs onjuist ook, toch kwam dat woord groep bij de voorbereiding van mijn praatje soms bij mij op. Het drukt een verbondenheid uit waarvan ik niet weet hoe ik die anders zou moeten benoemen. Mensen vormen soms een groep, zonder dat ze zich dat bewust zijn. En dan ook uiteraard ook zonder dat ze zich ervan bewust zijn wanneer die uiteen is gevallen. Als kunstenaar hebben de vier senioren in deze tentoonstelling elkaars ontwikkeling soms kritisch maar nooit zonder een persoonlijke betrokkenheid gevolgd. En dat alles tegen het decor van Arnhem, maar ook Velp; Gelderland eigenlijk, dat een goed kunstklimaat heeft en waar al sinds eind jaren vijftig opmerkelijk veel gaande is. Met name de mannen hebben regelmatig aan de dezelfde manifestaties deelgenomen. Ze exposeerden bij de dezelfde galerieën en dezelfde musea. Hun identiteit werd er mede door bepaald.

Wat Elli, Marten, Klaas en ook Ad – maar daarover later meer – verder gemeen hebben is dat ze zijn opgeleid aan de Arnhemse academie, die in die tijd nog Kunstoefening genoemd werd. De naam was al in 1951 officieel afgeschaft, maar was zo fraai en adequaat dat hij nog jarenlang door iedereen gebruikt werd. Ze kregen les van de hoofdvakdocent Fred Sieger, een schilder die enige faam genoot doordat hij Nederland had vertegenwoordigd op de Biënnale van Venetië en korte tijd betrokken was bij de Informele Groep.

De veelgehoorde stelling dat een baan als leraar de eigen artistieke ontwikkeling in de weg staat, is in het geval van Fred Sieger onwaar gebleken. En hetzelfde zou later gelden voor Klaas, Elli, Marten en Ad, de eerste bij de academie in Rotterdam, Elli en Marten bij verschillende opleidingen, maar met name in Arnhem, Ad jarenlang bij de AKI.

Klaas Gubbels is de oudste van de vier. Hij studeerde bij Sieger van 1952 tot en met 1959. Elli Slegten meldde zich in 1956 en vanaf 1958 was ook Marten Hendriks van de partij. Het waren vreemde kleine klassen, met vaak al wat ouder vergaarsel daartussen en ook een Javaanse prinses, zo heb ik begrepen. En het enfant terrible Jan Cremer, maar aan hem ga ik nu voorbij. Zo ontmoetten Elli en Marten elkaar hier voor het eerst. Alle jaren van de schilderafdeling kregen tegelijkertijd les in één lokaal, met meneer Sieger die daar tussendoor liep.

Wat je altijd hoort, is dat Sieger zijn leerlingen leerde kijken. Klaas Gubbels vertelt dat hij van hem het vak heeft geleerd. En om zijn werk van afstand te bekijken. Het eerste jaar werd er bij hem uitsluitend getekend, iets dat tegenwoordig op de academie vreemd genoeg niet meer bestaat. Vooral stillevens, in zwart en wit, om te leren dingen in toon te maken. De leerlingen beïnvloedden soms ook elkaar. Marten vertelde daarover een paar jaar geleden dat hij en zijn medestudenten op basis van een soort persoonsverheerlijking nog duidelijk invloed ondergingen van de inmiddels afgestudeerde Klaas Gubbels en diens vriend Steven Kwint.

Sieger zelf keek later met veel genoegen op zijn tijd als docent terug. Zijn beste leerlingen vond hij zelf Klaas Gubbels en Marten Hendriks, “een heel creatieve jongen”. “En meisjes, leuke meisjes, fijne meisjes.” Hij noemde met name Elli Slegten en Marijke Bonte. Hij zou het in het #MeToo tijdperk hard voor de schenen hebben gekregen, maar hij was ook overtuigd van hun artistieke kwaliteiten, zolang als ze maar geen verkering hadden.

Ik heb Sieger in de jaren negentig ook nog wel een paar keer ontmoet en meegemaakt. Het was een vreemd, in veel opzichten ook lastig potnat, maar ik geloof dat Klaas, Marten en Elli hem ieder als docent zeer waardeerden. En dat hun leerschool bij Kunstoefening, en de mensen die zij daar hebben leren kennen, hen duidelijk hebben gevormd en met elkaar verbindt.

In 1959 kwam ook Ad Gerritsen op de avondopleiding van de academie, waar hij het niet erg lang heeft uitgehouden. De bronnen zijn daarover niet geheel duidelijk. De een heeft het over een half jaar, de ander over anderhalf jaar. Hij vertrok omdat hij niet overweg kon met Sieger, die hij autoritair vond, nadat deze ten overstaan van de hele klas een houtskooltekening van hem met rood gecorrigeerd had. Hij noemde zich later eigenlijk altijd autodidact.

Niet veel later begon Felix Valk zijn Galerie 20 in de Arnhemse Parkstraat, een bruisende en inspirerende plek waar Klaas en Heleen Gubbels toen nog in het souterrain woonden en waar, evenals Klaas, later ook Ad Gerritsen en Marten Hendriks exposeerden. Ook bij andere gelegenheden kwam men elkaar tegen, zoals bij de openingen van het Gemeentemuseum Arnhem, het Besiendershuis in Nijmegen en de Gemeentelijke Van Reekum Galerij in Apeldoorn, waar zij zelf ook weer exposeerden, de heren althans. Het zullen inspirerende ontmoetingen geweest zijn, waarvan wel iets, maar achteraf niet eens zo veel van te bespeuren is. In die tijd werden ze wel nog als kunstenaars met een verwante grondtaal, beschouwd. Zij het ieder met een eigen identiteit. “We kenden elkaar goed en beïnvloeden elkaar tot op zekere hoogte, maar als kunstenaar maakte ieder toch zijn eigen individuele ontwikkeling door.” Aldus Marten in een interview met Trudy van Riemsdijk.

In 1968 ontstond in de forellenkwekerij in Beek bij Nijmegen een beeldententoonstelling van de nog altijd niet superberoemde Ad Gerritsen, Klaas Gubbels en Marten Hendriks. Met deze keer ook Geurt van Dijk daarbij. Zowel Ad als Marten had destijds een atelier in het mooie landhuisje aan de Weg langs Klim en Dal op nummer 1. Een aantal jonge kunstenaars hadden dit op demonstratieve wijze, na een hongerstaking en een kraakactie weten te verkrijgen. Hier werkten zij ook een enkele keer samen: de beelden van Marten werden gemaakt in het atelier van Ad, die daar meer ervaring mee had. Inmiddels woonden Klaas en Heleen Gubbels op drie minuten fietsen in de Van Lawick van Pabststraat op nummer 19.

Heleen maakte tijdens de voorbesprekingen van Badje Beek – zoals de tentoonstelling genoemd werd – in hun tuin een geweldige serie zwartwit foto’s van hen, waaronder één waarop zij onderuitgezakt poseren als outlaws in zo’n nihilistische western uit die jaren . Deze wordt nog regelmatig uit de oude doos getoverd wanneer het over vroeger gaat. Ver weg van de Randstad-beschaving, daar waar het leven ruig en hard was. Speciaal Klaas en Marten zien er tamelijk meedogenloos uit, ieder met een half opgerookte sigaar in het stoppelige hoofd. Marten heeft mij eens verteld dat hij voor die foto Klaas wel een beetje nadeed.

Als schilders werkte zowel Elli als Marten, Klaas en Ad toen in een soort modern figuratieve stijl, die als ik het moet geloven typerend was voor het Gelderland van toen. “Er bestaat natuurlijk geen Gelderse kunst,” aldus het fenomeen Maarten Beks in een catalogus bij een tentoonstelling van Jonge Gelderse Kunstenaars uit 1969. Na een van zijn even grillige als briljante beschouwingen komt hij er dan vervolgens toch toe, zogenaamd alvast ten behoeve van toekomstige overzichtsschrijvers, een karakterisering van de Gelderse kunst van dat moment op te stellen. Hij signaleert bij de meeste kunstenaars een opvallende trouw aan “het zich tegenover de werkelijkheid opstellende schilderij”. Terwijl tevens zoiets als “nieuwe figuratie” dan in Gelderland sterk schijnt. Onder de exposanten waren ook Ad, Klaas en Marten, maar niet Elli. Opvallend is dat er bij de exposanten – overeenkomstig de tijdgeest – überhaupt geen enkele vrouw was, wat tegenwoordig niet meer goed voor te stellen zou zijn.

Het lijkt er op dat Beks het goed zag met zijn constatering over de toenmalige Gelderse figuratieve tendens. Tijdens de voorbereiding van dit praatje trof ik bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag enquêteformulieren aan van de bekende Pieter A. Scheen. Voor diens Lexicon Beeldende Kunstenaars uit 1969 vulden Elli en Marten in dat zij werkten in de stijl van de nieuwe figuratie. Van hen beide echtelieden is in dat lexicon ook werk afgebeeld. Van Marten een omzwachtelde kop, die dus eigenlijk al het einde van zijn figuratieve periode aankondigde. En van Elli een begerenswaardig schilderij van een gearmde man en vrouw – Oom Kees en Tante Graat – die met opgerolde broekspijpen en bloemetjesjurk in het water staan. Oom Kees met een vis aan de staart in de rechterhand. Ik ken het schilderij helaas alleen van het zwart-wit plaatje, maar eigenlijk is het helemaal zo’n opvallend karakteristiek onopvallend werk zoals Ad Gerritsen vanaf de jaren tachtig zou hebben kunnen maken en denk ik graag zou hebben gemaakt.

Van Klaas is in het lexicon een van zijn bekende Koningsschakers afgebeeld en van Ad tegenover de pagina van Marten een grappig mannetje, getiteld Het Gele Jasje, wat aan schilderijen van Marten uit die tijd als Het Rode Broekje en De Groene Handschoen doet denken. Niet veel later trokken Ad en Marjan Gerritsen in de woning van Klaas en Heleen Gubbels op Van Lawick van Pabststraat 19 en verhuisden de laatsten naar nummer 3. Klaas en Ad zochten elkaar sindsdien regelmatig op, aan huis of in hun ateliers aan de rand van Arnhem en in Heveadorp en bespraken elkaars werk. Toen Klaas in 1970 de Quarles van Ufford-prijs van de Gemeente Arnhem kreeg, oordeelde de jury: “Heel geleidelijk heeft zich een zekere monumentalisering van de vorm voltrokken. Ontdaan van elke vorm van anekdotiek, kreeg deze vorm een geldigheid van een wijdere strekking.” Klaas vond dat de jury dat goed had gezien. En is op dit spoor verder gegaan tot op de dag van vandaag. Tot tevredenheid van zijn vele fans, maar niet iedereen naar het zin.

Als Ad van zijn atelier in het schooltje in Heveadorp naar huis ging, kwam hij langs het atelier van Klaas aan de Amsterdamseweg en kwam hij soms op uitnodiging nog even buurten. Klaas: “Kom je nog langs om mijn werk af te zeiken?” Ad: “Heel graag!”

Marten had genoeg aan zich zelf als criticus: “Mijn mentaliteit is zo: alles wat ik zeg, trek ik ogenblikkelijk in twijfel, zo gaat dat ook in mijn schilderijen’, las ik al in een van zijn eerste interviews. En: “De twijfel wordt gesubstantieerd als schilderij.”

Eigenlijk de enige van de vier bij wie de artistieke ontwikkeling volgens mij vrij geruisloos, zonder haperen vanzelfsprekend verliep was Elli Slegten, al zou ook bij haar de menselijke figuur steeds meer uit haar werk verdwijnen.

Begin jaren zeventig stopte zowel Marten Hendriks als Ad Gerritsen lange tijd met schilderen. De visuele aantrekkelijkheid en raffinement en het succes dat zij met hun schilderijen hadden, maakte hen beide wantrouwig. Alle verdere discussie over stromingen en ismen werd met betrekking tot hun werk ongemakkelijk: de esthetische gewaarwording, de vorm, de kleur, de techniek. Het belemmerde hen om hun bedoelingen direct tot uitdrukking te brengen. Ze gingen zich op allerlei andere wijzen uiten: performance-achtige manifestaties, fotografie, kunstenaarsboeken. Het was dan ook niet verbazingwekkend dat zij in 1973 samen in De Rietstal, voorloper van De Gele Rijder op de Korenmarkt in Arnhem exposeerden. Namen van weleer. Op de tentoonstelling in Den Haag is overigens te zien dat Ad in de jaren zeventig nooit helemaal met schilderen is gestopt. Daar hangt bijvoorbeeld het prachtige portret ten voeten uit van de Italiaanse anarchist Errico Malatesta, dat normaal bij Klaas en Heleen Gubbels in de huiskamer te zien is.

Hoewel Klaas, Ad, Marten en Elli artistiek gezien alle vier hun eigen weg gingen, liepen zij elkaar als inboorlingen uit de Gelderse archipel voortdurend tegen het lijf. Een voorbeeld is het Beethoven festival Music for The Millions, in 1977, georganiseerd door Ad Gerritsen, Marten Hendriks en Jan Brand. En waaraan ook Klaas Gubbels deelnam met een gigantische houten tafel met daaronder een megapiano hangend aan dikke touwen. Met de vanzelfsprekende titel Hommage aan Beethovens 37 huishoudsters. Elli’s neef Henk van der Krabbe assisteerde Klaas daarbij en zou als vaste medewerker jarenlang voor hem blijven werken. Hij was daarmee een opvallende schakel tussen de vier kunstenaars omdat hij ook voor Marten Hendriks en Ad Gerritsen regelmatig hand en spandiensten verleende.

Toen zowel Ad als Marten na een jaar of tien ongeveer tegelijkertijd toch weer bij de schilderkunst terugkeerden, waren de uitgangspunten zo veranderd dat er stilistisch en inhoudelijk nauwelijks verwantschap meer was. Marten zou zich vanaf omstreeks de eeuwwisseling grotendeels richten op het maken van computertekeningen en dat doet hij nog steeds.

Elli en Marten woonden toen al sinds lang in de Achterhoek. Direct contact was er nog vooral tussen Ad en Klaas. De degens werden nog altijd met veel genoegen gekruist en ik vermoed dat hun artistieke inzichten daarmee over en weer tot op zekere hoogte ook werden gescherpt. Om in Arnhem bij elkaar over de vloer te kunnen komen – en dat gebeurde veelvuldig – moesten ze eerst hun tuinpaden naar de straat aflopen om tientallen stappen verder dat van de ander weer op te lopen. Na afloop van zo’n bezoek werd de gast dan uitgeleide gedaan tot aan het tuinhek. Maar daar stokte het gesprek allerminst. Na zekere tijd werd gezamenlijk opgetrokken naar de voordeur van de ander. En ook daar werd het palaver onverstoorbaar voortgezet. Vervolgens werden dan de rollen omgedraaid. Want wie thuisgebracht was, werd weer tot aan het tuinhek gebracht. Het ritueel kon op die manier wel even doorgaan. De buren en huisgenoten keken er op den duur ook niet meer van op.

Toen ik in 2003 met Ad in het Arnhems Museum een tentoonstelling maakte, vertelde hij aan – ik weet niet meer wie – dat hij samenwerkte met “de conservator van de dode en de bijna dode kunstenaars”. Hij had een grappig sardonisch gevoel voor humor. Hij was toen 63, net zo oud als ik nu.

In 2000 had ik toen al samengewerkt met Marten Hendriks en later in 2005 met Klaas Gubbels in datzelfde museum. Ik heb hen ook door openingen en dergelijke altijd met elkaar geassocieerd, omdat we vaak met elkaar spraken en tijdens de borrel en de bitterballen bij elkaar stonden. En wanneer Marten daar was, was daar uiteraard ook Elli bij, die ik ook goed ken als persoon en als bewonderaar van haar werk.

Hoezo….., luidt de openingsvraag van deze kleine maar fijne tentoonstelling. Welnu: om reden van deswege, onvermijdelijk.

Artistiek gezien schijnbaar eenlingen, in elk geval de heren, maar afkomstig uit dezelfde roedel.

Ik heb gezegd.

Uit het Persbericht

Op zondag 9 december 2018, van 15 – 17 uur, opent Art Gallery O-68 de tentoonstelling ‘HOEZO……… Ad Elli Els Klaas Marten’ met werken van Ad Gerritsen (1940-2015), Elli Slegten (1939), Els van ’t Klooster (1985), Klaas Gubbels (1934) en Marten Hendriks (1941). De expositie loopt t/m zondag 6 januari 2019. Openingstijden tijdens de expositie: do t/m zo 15.00 – 17.00 uur en op afspraak. De kunstenaars en Marianne Gerritsen zijn aanwezig bij de opening. Ype Koopmans, kunsthistoricus, artistiek directeur van Museum MORE zal de expositie openen.

‘HOEZO….. ’ De jonge kunstenaar Els van ’t Klooster, die in 2016 in Art Gallery O-68 exposeerde, helpt Klaas Gubbels met kleine klusjes en ze hebben het idee opgevat om samen te exposeren in Velp in O-68. Klaas wilde een aantal Gelderse collega’s daar ook bij hebben, Marten Hendriks en Elli Slegten en ook werken van de in 2015 overleden vriend en kunstenaar Ad Gerritsen.

Klaas en Els maken nieuw werk, Marten en Elli kiezen bestaand werk en de galeriehouder gaat samen met Marianne, de weduwe van Ad, werk uitzoeken in zijn atelier in Heveadorp.

Ad Gerritsen is een bekende kunstenaar in oost en zuid Nederland en krijgt nu postuum een zeer terechte tentoonstelling in Gemeente Museum Den Haag, 1 december 2018 t/m 17 maart 2019. Uit de aankondiging van deze tentoonstelling: ‘Ad Gerritsen confronteert ons in prachtige maar ongemakkelijke schilderijen met de processen van het kijken naar en beoordelen van onze medemens.’

Marten Hendriks, ook uit Gelderland, heeft momenteel een overzichtstentoonstelling in Museum Boijmans van Beuningen: ‘Time Slip’. Ad en Marten waren in de jaren ’70 belangrijke Nederlandse kunstenaars in het genre ‘Performances’, met performances in Arnhem, Warschau, maar ook New York. Van Hendriks is in O-68 een deel van de ‘onvoltooide beeldindex’ te zien, voor hem heel belangrijk maar niet getoond in museum Boijmans.

Nu is het werk van Ad en Marten in voornoemde musea te zien en samen met dat van Elli Slegten, Els van ’t Klooster en Klaas Gubbels te koop in Art Gallery O-68 in Velp.

Geplaatst in Expositie